Een bitch van een eend

IMG_4030 3De dode eend ligt nog altijd in het gras bij het postkantoor, op de hoek van onze straat. Hij ligt er sinds gisteren. Waarschijnlijk aangereden door een van die idioten die te snel door de straat vlammen.
Het is een mannetjeseend. Het raakte me toen ik hem daar gisteren dood zag liggen. Zijn vrouwtje was nergens te zien. Eenden gaan niet bepaald romantisch met elkaar om, dat weet ik, maar toch vond ik het hartverscheurend voor haar. Misschien zag ze hem sterven.
Meneer en mevrouw eend zaten al een week lekker gezellig in een zoom gras naast het voetpad, bij de straat. Ze vroegen er bijna om doodgereden te worden. Waarom gingen ze niet elders naartoe? Naar een iets afgelegener plekje, verder weg van mensen.
Enkele uren later fiets ik weer de straat in. In de buurt van het lijk van de mannetjeseend waggelen twee eenden. Een ervan is de vrouwtjeseend. Ik herken haar aan de twee witte vlekken in haar vleugels. Komen er dan toch gevoelens bij kijken? Ik heb met haar te doen. Ze komt treuren. Dit is een afscheidsritueel.
Of nee. Toch niet.
De eend die ze mee heeft is een andere mannetjeseend. Die twee hebben enkel oog voor elkaar. Ze duwen hun bek in elkaars veren. Ze lopen met elkaar te flirten, vlak bij het dode mannetje. Ze zien niet eens naar hem om.

Het dekentje

dekentje_Ik geeuw en zet de televisie uit. We moeten dringend naar bed, of nee, ik moet naar bed, Liefje heeft verlof. Om zeven uur moet ik op en het is al één uur. Het lijkt alsof ik aan de zetel kleef. Omdat ik mijn been beweeg heeft Wacko door dat ik recht wil staan en schiet ze van mijn schoot af. Daarbij gebruikt ze haar klauwen, dat doet pijn, haar nagels zijn vlijmscherp. Ik bijt op mijn tanden. Ambetant beest.
Wacko gaat op de salontafel zitten en geeft haar voorpoot enkele korte, stevige likken. Dan rekt ze zich uit en stapt ze naar de rode stoel waar ze de laatste tijd altijd op ligt. Ze heeft de gewoonte zich een aantal weken op telkens hetzelfde plekje te nestelen, tot het haar plots niet meer interesseert en ze een nieuwe plek kiest.
Ze springt op de stoel maar gaat niet liggen. Ze kijkt naar het dekentje dat naast de stoel ligt, het dekentje dat er normaal op ligt, haar dekentje. Het zal gevallen zijn omdat ze te bruusk van de stoel is gesprongen. Wie weet hoelang het er al naast ligt, ik heb er niet op gelet.
‘Oei,’ zeg ik tegen Liefje, ‘Wacko’s dekentje ligt op de grond.’
Liefje kijkt niet op, ze is bezig met haar telefoon. Ik hijs mezelf uit de zetel, neem het deken en vouw het op. Wacko kijkt aandachtig toe. Dan til ik haar van de stoel en hou ik haar in mijn ene arm terwijl ik het gevouwen stuk fleece op de stoel leg.
‘Zo lig je lekker comfortabel,’ zeg ik, en ik zet haar voorzichtig neer op het dekentje. Ze blijft er welgeteld één seconde op staan en springt dan naar de andere rode stoel, die zonder deken. Daar gaat ze meteen op liggen, ze sluit zelfs meteen haar ogen.
Liefje vindt het allemaal heel grappig, ze proest het uit. Ik zucht, ik zou echt beter in bed kruipen.

Rozemarijn

rozemarijnWacko gromt eerst stil, dan luider. Ze kijkt vanop de vensterbank naar buiten. Er moet een kat in de voortuin zitten, daar kan ze niet tegen. Hoewel ze langs voren niet buiten gaat beschouwt ze de voortuin als haar territorium, haar bezit, net zoals dit hele huis en alles wat erin staat, wij inbegrepen. Haar silhouet is zichtbaar door de rolgordijnen: een bol haar met hanenkam en dikke staart. Ze begint er nu al bij te blazen ook. Misschien zijn het twee katten, of is het die grote kater van aan de overkant van de straat.
‘Wacko?’
Ik loop naar het raam en trek de rolgordijnen omhoog. Onder de stekels van de yucca zitten geen katten, onder de vensterbank ook niet. Dan merk ik de vrouw op. Ze staat op het pad in de voortuin en prutst aan de rozemarijnplant. Ik heb haar nog nooit gezien, ze is in de zeventig, misschien zelfs in de tachtig, en ze draagt een bril met een rond montuur. Naast haar staat een tas gevuld met groenten, de prei en selder steken eruit. Ze moet naar de markt geweest zijn, een straat verderop, en blijkbaar gaat ze een of andere schotel maken. Met rozemarijn.
Wacko blijft stilletjes grommen en verliest de vrouw geen moment uit het oog. Ik kijk ook naar de vrouw. Haar wangen zijn rood, ze draagt een groene muts die haar er bol en schattig doet uitzien, zeker in combinatie met de bril. Na een tiental seconden kruisen onze blikken. Ze kijkt snel weer weg en blijft heftig aan de rozemarijn trekken. Die plant is groot genoeg, van mij mag ze gerust enkele takjes hebben, maar dan mag ze ook eens lachen. Ik zwaai, ze blijft me negeren. Haar ogen zijn wijd open, ze lijkt gegeneerd, misschien denkt ze dat ik zo meteen naar buiten kom gestormd. Eindelijk breekt er een takje af, en dan nog eentje, ze zijn best taai, ik heb ook soms moeite als ik ze eraf wil halen. De vrouw stopt de rozemarijn in haar tas bij de groenten en schuifelt dan weg. Wacko springt van de vensterbank af. Ik laat de rolgordijnen weer zakken, want vrijwel iedereen die hier voorbijloopt heeft de neiging naar binnen te gapen.

Schildpad in actie

wackskeIk probeer haar te negeren en lees verder. Ze miauwt weer, luider nu, en krabt met haar poot aan het venster. Dan stapt ze naar me toe, springt ze op de salontafel en mept ze tegen mijn telefoon. Bij de volgende tik bungelt het ding al over de rand van de tafel.
‘Wacko!’ roep ik.
Ze springt in de zetel. Met een diepe frons gaat ze op de leuning zitten. Ze kreunt stilletjes, ik lees verder. Even later loopt ze naar de kast, springt erop en begint weer dingen te verplaatsen, van die glazen theelichthoudertjes. Terwijl ze het doet kijkt ze naar mij. Ik zucht en klauter uit de zetel.
‘Het régent,’ zeg ik. Ze heeft een hekel aan regen.
Haar snoet klaart op. Ze springt van de kast af en loopt naar het grote raam dat ik voor haar openschuif. Ze rent enthousiast naar buiten, maakt daarbij zo’n prrr-geluidje.
Ik ga weer in de zetel liggen. Nog geen twee minuten later hoor ik een tik tegen de ruit. Als ik zonet door het raam kon zien dat buiten alles nat is, dan zag zij dat toch ook?
Ze staat op haar achterpoten en krabt met beide voorpoten aan de ruit, heel snel. Ik duw me weer uit de zetel en neem een handdoek. Haar pels staat bol van de kou, op de haartjes liggen kleine regendruppels. Haar ogen zijn groot en rond, haar ene oor ligt plat. Ik zet me op mijn knieën om haar beet te kunnen pakken en schuif het raam open. Ze aarzelt even, kijkt hoe ze me het best kan ontwijken, waagt dan haar kans en schiet naar binnen. Ik grijp haar vast. Ze spartelt en miauwt en kreunt en krabt. Ik hou haar in een stevige greep, droog haar pels af en dan haar poten. Hoe langer ik bezig ben, hoe rustiger ze wordt, ze begint zelfs te spinnen.
Ik laat me weer in de zetel vallen. Ze komt naar me toe en springt erbij. Na wat in mijn buik te kneden gaat ze tegen me aan liggen. Ze spint zodanig luid dat ze er bijna bij piept.

Kalkoven

kalkWe staan voor het rode licht. De regent klettert tegen de voorruit.
‘Heeft jouw papa dan in een kalkoven gewerkt?’ vraagt ze.
Ik snap niet meteen wat ze bedoelt. Dan herinner ik me een gesprekje van maanden geleden.
‘Nee, die kalkovens zijn van veel vroeger,’ zeg ik.
‘Zijn papa dan?’
‘Ook niet,’ zeg ik. ‘Misschien de opa van mijn opa? Of zijn opa zelfs?’
Ze knikt. ‘Héél lang geleden dus.’
Het licht springt op groen. We rijden verder, de ruitenwissers bewegen hysterisch snel, de baan lijkt een zwembad.
‘Wat is een kalkoven eigenlijk?’ vraagt ze.
‘Een oven waar ze strandschelpen ingooiden. En als die verbrand waren bleef er kalk over. Ze wilden dus kalk maken.’
‘Maar het is zeker dat jouw familie van veel vroeger in een kalkoven werkte?’
‘In een kalkbranderij, daar stonden die ovens. Dat zeggen ze toch op zo’n website die familienamen verklaart.’
Ze haalt een schriftje uit haar rugzak en schrijft iets op. ‘Vroeger schreven ze het dan zo?’
Ik kijk naar rechts. Op het papier staat ‘calcoven’. Ik knik.
‘Dus eigenlijk is het Cat Calcoven?’
‘Eigenlijk wel.’
‘En waarom is net de ‘v’ weggevallen?’
‘Geen idee.’
‘Een kalkoven heeft toch niks met een kalkoen te maken?’ Ze giechelt.
‘Niet echt, nee.’
‘Waarom is het niet Caloven geworden?’ vraagt ze.
‘Het had ook Cacoven kunnen worden,’ zeg ik.
Ik zie hoe ze me met open mond aanstaart, dan begint ze te lachen, heel luid. Het overstemt de regen. De tranen springen haar in de ogen. Ik moet ook lachen.
‘Ik ga je vanaf nu Cat Cacoven noemen.’ Ze komt niet bij van het lachen.
‘Dat vreesde ik al,’ zeg ik.
Ze giechelt nog steeds als we even later voor het huis van haar jarige klasgenootje parkeren. Ik stap uit de auto en merk dat het is gestopt met regenen.

De politie, mijn vriend

werkenIk fiets de lange straat in. Verderop ligt een stuk van de baan open, dat is al enkele weken zo. Pas de laatste dagen werken ze er wat aan door. Ik zie geen andere fietsers of voetgangers en rij het trottoir op om voorbij de werken te geraken. Wanneer ik de straat weer op wil komt een politieagent van achter de camionette van de werkmannen tevoorschijn. Die had zich daar blijkbaar verstopt.
‘Hela! Ge moogt niet rijden op het voetpad. Het is niet omdat ge een fietser zijt dat ge geen boetes kunt krijgen.’
De agent is een stuk in de vijftig, heeft korte grijze haren en borstelige wenkbrauwen.
‘Oei,’ zeg ik. ‘Sorry, ik zal het niet meer doen.’
‘Kom, stap maar af en geef me uw identiteitskaart.’ Hij praat luid en zeurderig.
‘Maar… Kun je me niet gewoon een waarschuwing geven?’
‘De buurtbewoners hebben klacht ingediend omdat de fietsers hier gelijk zotten voorbij vliegen aan hun deur, over het voetpad. Onlangs is er zelfs iemand aangereden. Vandaar dat wij actie ondernemen. Uw pas, astublieft?’
Ik stap af, trek een handschoen uit en neem mijn portefeuille. De kou snijdt in mijn vingers. De agent schrijft mijn gegevens over in een notitieboekje.
‘Hoeveel is die boete?’ vraag ik.
‘Vijfenvijftig euro,’ zegt hij.
‘Vijfenvijftig euro? Maar ik reed heel traag en voorzichtig, dat heb je toch gezien?’
Hij blijft krabbelen in zijn boekje.
‘Gaat ge akkoord met een directe inning?’ vraagt hij.
Ik zwijg. Wat is een directe inning? Dat hij meteen dat geld krijgt? Nu? Ik heb zin om een brok asfalt van de baan te pakken en die op zijn kop te slaan.
‘Vijfenvijftig euro is overdreven,’ zeg ik.
‘Het zijn de tarieven bepaald door de wet. Over enkele dagen krijgt ge een overschrijvingsformulier toegestuurd. Gelieve dat dan meteen te betalen.’
‘Een eindje verderop, aan de grote baan, staat op dit moment een dikke Audi geparkeerd op het fietspad. Ik moest ervoor uitwijken en de baan oprijden tussen de auto’s. Zou je die niet beter een boete geven?’
Hij reageert niet en geeft me mijn identiteitskaart terug. Ik bijt op mijn lip, Liefje heeft ook al dure aanvaringen met flikken gehad voor van die pietluttigheden, en toen ze hen haar gedacht zei maakte ze het enkel erger. Winnen kun je toch niet. 
Terwijl ik mijn portefeuille in mijn fietstas stop, bekijk ik hem eens goed. Met zijn blauwe kostuumpje en zijn witte politiefiets, een gewoon model, niet zo’n hip ding waar de flikken in het centrum mee rondcrossen. Op een ijskoude ochtend moet hij zich achter een camionette verbergen om fietsers te kunnen beboeten, en dat op zijn leeftijd. Eigenlijk moet je er medelijden mee hebben.
‘Allez, nog veel plezier,’ zeg ik en ik rij verder.

De bermuda

visserijIk haal een trage fietser in, sla een eind verderop rechts af en fiets verder langs het water. Plots merk ik dat iemand dicht achter me fietst. Een honderdtal meter verder plakt hij nog steeds aan mijn wiel. Ik kan daar niet goed tegen, net zoals ik er niet tegen kan als ik op straat loop en mensen heel dicht achter me aan blijven stappen. Haal me dan in of hou afstand.
Het is de kerel die ik daarnet heb voorbijgereden, zie ik. Hij heeft grijs haar en een baard, en hij draagt een bermuda. Ik zet al mijn kracht op de trappers en schiet vooruit. De bermuda crost met een zuur gezicht achter me aan.
Het gebeurt te vaak om het nog te negeren. Sommige mannen, meestal wat ouder en met grijs haar, kunnen er blijkbaar niet tegen als ze worden ingehaald door een vrouw. Ik rem af, de bermuda vertraagt ook. Dan ga ik nog trager fietsen zodat hij niet anders kan dan me voorbij te rijden. Hij kijkt met strakke blik voor zich.
‘Onnozelaar!’ roep ik, en terwijl ik het roep voel ik iets in mijn mond terechtkomen, in mijn keel. Ik kuch maar het blijft zitten, het lijkt zelfs wat te bewegen. Het moet een vliegje zijn, of iets wat erop lijkt. Ik hoest maar het geraakt er niet uit. Uiteindelijk kan ik niet anders dan slikken, dat gaat niet vlot, het blijft in mijn keel vastzitten.
Allemaal de schuld van die klojo, en ik was net zo goedgezind. Hij rijdt enkele tientallen meters voor me. Ik versnel en rij hem achterna. Al gauw heb ik hem beet en ga ik dicht bij hem fietsen, met mijn voorwiel ter hoogte van zijn achterwiel. Zijn bermuda is donkerblauw met groene ruitjes. Zo rijden we op enkele minuten doorheen Ledeberg tot in Gentbrugge. Hij kijkt niet één keer om. Wanneer hij een andere richting uit moet, overweeg ik hem te blijven achtervolgen maar dat is het me nu ook niet waard. In mijn keel zit nog steeds iets vast, iets droogs, misschien moet ik gewoon een pintje drinken.

De spin

Schermafbeelding 2014-09-18 om 12.57.24Terwijl ik op mijn laptop zit te werken zie ik iets over de vloer bewegen. Ik hou mijn adem in, voel een rilling over mijn rug en probeer zo normaal mogelijk te doen. Ik ga rechtop zitten, plaats mijn voeten onder de stoel. De spin is groot en bruin, ze loopt in het midden van de living, op haar gemak. De voorbije weken heb ik haar hier al enkele keren gezien. Wanneer ze op een meter van me passeert voel ik mijn tenen krullen. Het blijft moeilijk, maar ik doe mijn best. De spin verdwijnt in een kiertje van de plint. Wacko heeft niks gemerkt, ze ligt uitgerekt op de vloer en de spin is vlak naast haar gepasseerd.
In de gang zitten nog een stuk of drie van die grote spinnen. De muren zijn hoog en je kunt er niet zomaar bij. Je ziet ze ook maar zelden. Niet dat ik ze zou pakken, dat durf ik niet. Vroeger gilde ik zelfs als ik zo’n grote zag en moest Liefje komen om hem buiten te zetten. Dan voelde ik me altijd onnozel, daarom heb ik besloten mezelf te trainen. Als ik nu een spin zie neem ik even de tijd om ze te bestuderen. Soms blaas ik er zachtjes tegen om te zien wat er gebeurt, dan schiet ze weg en spring ik een meter achteruit. Spinnen zijn heel nuttig in huis en ook hygiënisch, of dat maakt Liefje me toch wijs. Ze zegt dat het lieve diertjes zijn, dat ze er ook niks kunnen aan doen dat ze acht lange poten hebben en er daardoor wat griezelig uitzien. Ze kan er niet tegen dat mensen ze uit angst vaak dood meppen, zoals ik dat deed, vroeger.
Even later is de spin er opnieuw, vanuit de kier loopt ze weer door de living. Ze lijkt minder op haar hoede dan andere spinnen. Ik heb eens gelezen dat er in elk huis meer dan duizend spinnen leven, als je daar hysterisch over gaat doen heb je geen minuut rust meer. De spin loopt naar de zetel en verdwijnt eronder. Misschien moeten we haar een naam geven. Debby, of zo.

Vermist: Pien

pienIk fiets het Keizerpark in. Aan een elektriciteitskast hangt al enkele weken een A4-blad met foto’s van een vermiste kat die Pien heet. Wacko is ooit ook spoorloos geweest, tijdens de koude winter drie jaar geleden. In de buurt hadden we van die A4-bladen in plastieken hoesjes gehangen, aan palen, bomen. Wacko hing op in de frituur, de apotheek, de Brantano, noem maar op, ook had ik een paar duizend flyers gebust. Ik stelde me van alles voor, dat ze in de vrieskou langs een berm lag te sterven of ergens opgesloten zat en daar zou creperen. Elke dag zag ik overal die affiches hangen, het was een kloteperiode die zeventig dagen duurde.
Wanneer ik de brug over ben zie ik een kat lopen. Zwart, met witte sokjes. Ze loopt langs geparkeerde auto’s, gaat dan een parkje in waar ze bij een boom blijft staan. Ik rij haar voorzichtig achterna, kan haar tot op enkele meters naderen en bekijk haar aandachtig. Dan koers ik terug naar het Keizerpark.
Drie jaar geleden belde ik aan bij alle huizen in onze straat, bij mensen die ik niet kende, we woonden daar toen pas, om te vragen of ze in hun tuinhuis of kelder wilden kijken. Sommige van die mensen lieten me binnen om samen te kijken, anderen gooiden de deur in mijn gezicht. ‘Toch niet voor een kat?’ zag je hen denken.
Bij de elektriciteitskast trek ik aan mijn remmen, dat piept, en ik bekijk de foto’s van Pien. Ze is zwart met witte pootjes, maar ze heeft een witte vlek op haar borst, de poes van daarnet niet. Verdomme. Ik draai mijn fiets en rij terug, richting werk, trager nu, denk aan hoe de eigenaar van dat restaurant Wacko in zijn tuin had opgemerkt, naar zo’n affiche in de buurt was gelopen en me had gebeld. Liefje en ik reden dan naar het restaurant langs de steenweg, het vroor hard maar de zon scheen, de auto’s raasden voorbij, we stapten uit en riepen ‘Wacko?’. Enkele seconden later kwam ze uit de struiken, ze miauwde en liep naar ons toe. Ik greep haar vast en stapte met haar in de auto, ze was erg vermagerd, haar pels zat vol stof en rook naar motorolie. Toen heb ik zitten janken van geluk. Ik hoop dat de baasjes van Pien dat binnenkort ook kunnen doen.

Fishstick in de puree

fishstick_bobbieZe gilt theatraal en stormt de trap af. Haar gezicht is rood, tranen lopen over haar wangen.
‘Waar is Fishstick?’ roept ze.
Ik kijk van Mila naar Liefje. ‘Is ze nu aan het acteren?’ fluister ik.
‘Nee,’ zegt Liefje. ‘Het is echt.’
Ze springt recht en gaat met Mila de trap op, haar kamer in. Ik loop mee. Fishstick valt inderdaad nergens te bespeuren, Bobbie zwemt op zijn eentje in het aquarium. Dan zie ik iets oranje in de holle rots midden in het water. Het is de snoet van Fishstick, zijn mondje gaat de hele tijd open en dicht. Hij moet de rots zijn ingezwommen en nu zit hij boven vast.
Mila ziet hem nu ook, ze vraagt: ‘Kunnen jullie hem bevrijden?’
Liefje tilt de klep van het aquarium op en pakt de rots vast. Ze beweegt er zachtjes mee. Fishstick verroert niet, blijft de hele tijd happen. Binnen in de rots zien we enkel zijn staart.
‘Kun jij hem eruit duwen?’ vraagt ze.
Even later voel ik het velletje van de goudvis tegen mijn pink, het is glad en het voelt raar, dat hoofdje is heel klein. Ik ben bang dat ik hem kapot ga duwen, hij zit vast, en niet zomaar een beetje. Ik durf niet meer kracht te zetten.
‘Misschien moet je hem bij zijn staart proberen te pakken?’
Ik aarzel en neem dan de staart vast, die is nog dunner dan een sigarettenblaadje, ik trek er heel zacht aan. Fishstick verroert nog steeds niet. Ik krijg het warm.
‘Als ik nog meer ga trekken loopt dit niet goed af. Er moet een andere manier zijn.’
Mila begint weer te huilen. ‘Ik dacht dat hij misschien ziek was geworden en gestorven,’ zegt ze. ‘En dat jullie het me niet hadden durven zeggen.’
Dropje en Bruce, de vorige goudvissen, waren ziek uit de Tom&Co bij ons terechtgekomen, na nog geen vijf dagen dreven ze levenloos in het water.
‘Ik wil niet nog een vis dood,’ fluistert Liefje tegen me, ‘en zeker Fishstick niet, ze is zo aan hem gehecht.’
We zijn net thuis en waren de hele dag weg. Dat beestje kan al uren vastzitten.
‘Kom Fishstick,’ zegt ze. Ze pakt de rots weer beet, sluit haar ogen en duwt op het hoofdje van de vis, haar mond in een grimas, duwt nog eens, en dan weet Fishstick zich achterwaarts los te maken. Enkele seconden later zwemt hij door het water, wild en stuurloos.
‘Jaaaaaa!’ roept Mila, en ze geeft eerst Liefje en dan mij een snelle knuffel. Dan neemt ze de rots en gooit ze hem op de grond. ‘Die komt er niet meer in,’ zegt ze.
We bestuderen Fishstick, behalve enkele minuscule donkere plekjes rond zijn hoofd lijkt alles intact. Hij zwemt soepel door het water nu, alweer wat rustiger, zijn vinnen zien er oké uit, de rest ook.
Ik ga op de bureaustoel zitten, laat de opluchting over me heen vallen.

%d bloggers liken dit: